resultaat- en klantgericht, gekenmerkt door gestructureerde en hiërarchische organisatie
Bij een “Outer Oriënted” organisatie past een effectieve cultuur. De klantwaarde ligt vooral in de toepassing van de producten en diensten: het resultaat wat hieraan verbonden is, staat voorop.
Deze cultuur schept door middel van het inrichten van verschillende structuren in de organisatie de voorwaarden om effectief met elkaar samen te werken. Op verschillende niveaus in de organisatie worden er allerlei overleg- en samenwerkingsstructuren ontworpen om uiteindelijk een zo groot mogelijk resultaat voor de klant te behalen.
Een “Inner Oriënted” organisatie zal veel meer profijt hebben van een efficiënte cultuur. De klantwaarde bestaat uit robuuste, betrouwbare producten en diensten (tegen zo laag mogelijke integrale kosten).
Vanuit allerlei tradities zullen er impliciete- en expliciete regels gelden die voor orde en discipline zorgen waardoor de communicatie (samenwerking) efficiënt zal verlopen. Deze efficiëntie in de samenwerking staat er garant voor dat er geen verspilling van tijd is (waardoor er extra kosten zouden worden gemaakt). Daarnaast biedt deze cultuur een constante gerichtheid van de mens op waar er mogelijk zou kunnen worden bespaard op de processen om zo uiteindelijk zoveel mogelijk aan de specifieke klantwaarde tegemoet te komen.
Een “Future Oriënted” organisatie zal baat hebben bij een affectieve cultuur. De klantwaarde bestaat uit het ontwikkelen van de beste producten en diensten die er zijn in de markt. Binnen deze organisaties in research en development dan ook zeer belangrijk (prioriteit) en om tot optimale teamprestaties te komen is “betrokkenheid” bij de organisatie en (ontwikkel)teams van levensbelang voor (optimale) research & development. Daarnaast wordt er vaak door de gehele organisatie met de klantorganisatie in “cross-functional” teams gewerkt, waar een betrokken instelling van het personeel een zeer belangrijke factor is voor de intensieve samenwerking met andere organisaties.
resultaat- en klantgericht, gekenmerkt door gestructureerde en hiërarchische organisatie
Creatieve en idealistische organisatie, veelal geleid door een charismatische leider
Binnen de “organisatorische structuur” is de “verantwoordelijk leider” de belangrijkste.
Voor de “individuele structuur” is de “doeltreffende leider” de belangrijkste persoon.
Daar waar het de “privé structuur” betreft, is de “psychologische leider” leidend.
De organisatorische structuur moet de voorwaarden leveren voor goede (klant)prestaties. Hier wordt bepaald hoe het met de effectiviteit van de cultuur is gesteld (effectieve cultuur)
De individuele structuur levert de basis voor een ordelijke- en gedisciplineerde samenwerking waarbinnen mensen ook worden uitgenodigd om hun verantwoordelijkheid te nemen. Op dit psychologisch niveau wordt een scan van de mate van efficiency gemaakt (efficiente cultuur).
De privé structuur betreft het beeld dat ieder individu heeft van de groep. Wanneer de individuele persoon een duidelijk beeld heeft van de leider dan zal dit direct invloed hebben op zijn persoonlijke betrokkenheid, hetgeen weer een basis is voor zijn gevoel of zijn bijdrage ook als zinvol wordt ervaren (door hemzelf). Hier wordt de mate van affectiviteit (betrokkenheid) van de cultuur bepaald (affectieve cultuur).
De posities dominant en volgend vormen de basiselementen van “een groep”. Een groep is per definitie hiërarchisch: het wordt gekenmerkt door twee verschillende rollen. Als beiden delen van de relatie op hetzelfde niveau stonden dan was er geen sprake van een groep. De dominante kant van de relatie geeft de (mentale) richting aan waarin wordt bewogen en de andere helft van de relatie volgt. Door de dominantie van de ene persoon is het voor de andere persoon mogelijk om zich bijvoorbeeld te oriënteren in zijn taak: hij weet wat hem te doen staat. Dit is de basisvorm van samenwerken: er is een partij die de richting uitzet en de andere partij die zich in die uitgezette richting gaat verplaatsen. Daarbij wordt er op dat moment in die specifieke situatie ook aan de behoeften van beide partijen voldaan. De volgende partij moet een bepaalde prestatie neer gaan zetten ten aanzien van bepaalde vooropgezette doelen (die door de dominante partij zijn bedacht).
Deze basisvorm van structuur vormt ook de springplank naar allerlei andere vormen van mentale structuren. Hier wordt ook de basis gelegd voor automatisering van gedrag omdat bepaalde structuren in de tijd repetitief zullen worden waardoor er een volgende keer bespaard wordt op het “denken”.
Het is niet moeilijk te begrijpen dat in deze relatie de dominant – volgende positie terugkomt: de ondersteunende persoon zal zich in de dominante positie bevinden.
In de basis vindt hier de overdracht plaats van bepaalde tradities die zich in de loop der tijd hebben gevormd. De ondersteunden partij reikt deze tradities onbewust aan en de hulpbehoevende kant leert deze tradities onbewust aan. De tradities worden als het ware tussen neus en lippen doorgegeven. Het kan best zo zijn dat ze ondersteunt worden (de tradities) door verbale taal, maar het echte leren vindt onbewust plaats. De gedragsregels worden doorgegeven die voor discipline (en orde) in de groep zorgen. Hoe je je ten opzichte van elkaar dient te gedragen (de gedragsregels) weerspiegelen ook voor een groot gedeelte het ethisch aspect van de samenwerking: het reguleert het gedrag, bepaalde zaken zijn onderling toegestaan en andere gedrag wordt gezien als bedreiging voor het voortbestaan van de groep.
Op individueel niveau is het de kunst om de relatie ter discussie te durven stellen. Om op relationeel niveau te kunnen praten zal men zich open moeten stellen. Dit zal (onbewust) openheid van de andere kant tot gevolg hebben, waardoor men onbewust bouwt aan de relatie. Het bouwen van een relatie zal tot gevolg hebben dat men zich over en weer steeds meer verantwoordelijk voor elkaar zal gaan voelen. Deze wederzijdse verantwoordelijke opstelling zal nog meer onderlinge verbondenheid tot gevolg hebben.
Ook hier weer geldt dat er steeds één bovenliggende partij is op een gegeven moment, maar de rol die gespeeld wordt kan wisselen gedurende de relatie. De trotse partij aan de ene kant die laat zien waar hij/zij goed in is leidt tot aanbidding van de andere partij. Deze aanbidding leidt weer tot betrokkenheid.
De expressieve partij heeft nu eenmaal publiek nodig. Dat is de reden van wederzijdse afhankelijkheid in een complementaire relatie: de ene rol kan niet gespeeld worden als de andere partij het laat afweten. De (onbewust) aanbiddende partij geeft zich over aan het groter geheel, de betrokkenheid wordt steeds groter. Deze overgave aan het groter geheel is het esthetisch aspect van de relatie.
Op individueel niveau wil degene die zich erg betrokken voelt nu ook van betekenis zijn. Hij/zij wil zich in alle vrijheid ergens aan verbinden waardoor er een bijdrage geleverd kan worden aan het groter geheel. De expressieve partij inspireert de aanbiddende partij met zijn visie, zodat deze de keuze tot volledige participatie kan maken.